De zoötechnische aspecten van loopstallen voor paarden

1.2 Loopstallen voor paarden


1.2.1 De loopstal...

In alle soorten... - Loopstallen hebben gemeen dat ze onderdak bieden aan een groep paarden, die er vrij kunnen rondlopen. Twee typen zijn te onderscheiden: de open loopstal en de gesloten loopstal (afb. 1.2). In een open loopstal hebben de paarden vanuit de stal vrije toegang tot een uitloop, bijvoorbeeld een paddock of de weide (Paardenhouderij praktisch bekeken 1986). Om het bewegen van de paarden in een open loopstal te stimuleren, kan de stal verdeeld worden in twee aparte delen: één om in te eten en één om in te liggen. De delen kunnen naast elkaar of een eind bij elkaar vandaan worden gesitueerd (bijvoorbeeld aan weerszijden van de uitloop); in beide gevallen moet het paard zich door de uitloop verplaatsen om van het ene deel in het andere te komen. Bij de gesloten loopstal bevinden de paarden zich in een afgesloten ruimte, bijvoorbeeld een loods (Pirkelmann, Schäfer en Schulz 1976).

Afb. 1.2 Verschillende manieren om een loopstal te bouwen - boven: een open loopstal met aparte eet- en ligstal; onder: een gesloten loopstal

...en maten - Pirkelmann, Schäfer en Schulz (1976) en Piotrowski (1988) zijn het er over eens dat de minimale oppervlakte per paard voor het stalgedeelte van een open loopstal overeenkomt met de oppervlakte nodig voor een box ([2 x stokmaat]² ). Volgens Maton (1976) is in een open loopstal 5m² per pony, 8m² voor een klein paard, 10m² per volwassen paard en 12m² voor een merrie met veulen nodig. In deze richtlijn is de formule voor de benodigde oppervlakte voor een box, (2 x stokmaat)², terug te vinden. Volgens deze formule heeft een pony met een schofthoogte van 1,10m (2 x 1,10 m)²=5m² nodig, en een volwassen warmbloedpaard met een stokmaat van 1,70m (2 x 1,70m)²=12m². Een paard van rond de 1,50m, bijvoorbeeld een dier van een robuust ras of een gespeend warmbloedveulen, verdient volgens de formule 9m².
Maton (1976) geeft aan dat de uitloop minstens even groot moet zijn als de stal. Volgens Piotrowski (1988) moet de uitloop iets ruimer zijn: per paard driemaal de oppervlakte voor een box als het om een kleine groep gaat, en anderhalf- tot tweemaal de oppervlakte voor een box voor een grotere groep. De uitloop mag niet smaller worden dan 2,5-3m.
In Paardenhouderij praktisch bekeken (1986) wordt aangegeven dat in een gesloten loopstal 5-12m² per dier nodig is, afhankelijk van ras en leeftijd, en dat voor de oppervlakte van het stalgedeelte van een open loopstal met de helft hiervan kan worden volstaan.

Stalvloer - De vloer van een paardenstal moet aan een aantal eigenschappen voldoen: hij moet droog, egaal, niet glad, niet absorberend en ook nog eens duurzaam zijn (Smith 1967). Houghton Brown en Powell-Smith (1994) voegen aan dit lijstje nog “isolerend” toe. De vloer van de loopstal wordt in het algemeen van beton gemaakt (Paardenhouderij praktisch bekeken 1986). Maton (1976) wil echter aangedamde aarde gebruiken.

Bodem van de uitloop - Volgens Maton (1976) kan de bodem van de uitloop uit zand bestaan, of ingezaaid worden met gras. Knaap en Bouwman (1992) beschrijven een loopstal waarvan de uitloop verhard is met betonklinkers.

Strooisel - Volgens Paardenhouderij praktisch bekeken (1986) kan in een loopstal het beste stro als strooisel worden gebruikt. Tarwestro wordt van oudsher veel gebruikt als strooisel in paardenstallen. Vocht wordt door tarwestro niet erg goed geabsorbeerd, maar wel doorgelaten (het is de best drainerende bodembedekker) naar de vloer er onder. Die moet dan wel voorzien zijn van een vochtafvoersysteem (Houghton Brown en Powell-Smith 1994). In Paardenhouderij praktisch bekeken (1986) wordt aanbevolen per loopstal tenminste één afvoerputje aan te leggen. Een modern alternatief voor stro wordt gevormd door houtkrullen, die handiger zijn in het gebruik. Houtkrullen kunnen veel vocht absorberen en worden, in tegenstelling tot stro, niet vaak opgegeten (Houghton Brown en Powell-Smith 1994).

Potstal - Boxen worden meestal dagelijks één of meerdere malen van mesthopen en de ergste natte plekken ontdaan, waarna er wat vers stro over het oude aangebracht wordt (Pirkelmann, Schäfer en Schulz 1976). In Paardenhouderij praktisch bekeken (1986) wordt echter aangegeven dat de meeste loopstallen potstallen zijn; gedurende de stalperiode wordt een stro-mestpakket opgebouwd dat een dikte van wel 80cm kan bereiken. Het uitmesten van de loopstal aan het eind van de stalperiode gebeurt dan machinaal. Er wordt echter aangeraden het stro-mestpakket niet dikker te laten worden dan 35-40cm, wat inhoudt dat tijdens de stalperiode minimaal 1 keer uitgemest moet worden.

Stalwanden - Maton (1976) geeft aan dat wanden in een loopstal kunnen bestaan uit bakstenen of houten planken. In verband met het dikke stro-mestpakket dat onstaat moet de wand geplaatst zijn op een 80cm hoge betonnen sokkel. In Paardenhouderij praktisch bekeken (1986) wordt om dezelfde reden een wandhoogte van 2,5m aanbevolen; de bovenste meter hiervan mag traliewerk zijn.

Ventilatie - Stallucht is onvermijdelijk verontreinigd met stof, schadelijke gassen en micro-organismen. Stof is vooral afkomstig uit het strooisel en het voer, en bestaat voor het grootste deel uit schimmelsporen. Schadelijke gassen zoals ammoniak, zwavelwaterstof, methaan en koolstofdioxide ontstaan door microbiŽle omzettingen in mest en urine. Blootstelling aan deze luchtverontreiniging heeft consequenties voor het functioneren van de luchtwegen van het paard (Clarke 1987).
Het voornaamste mechanisme om luchtverontreiniging de stal uit te werken is ventilatie (Clarke 1987). Onderzoek naar stof in adequaat geventileerde buitenboxen en boxen in een ongeventileerde, geÔsoleerde schuur (Clarke en Madelin 1987) liet het volgende zien: na uitmesten verdubbelde in de buitenbox het aantal deeltjes in de lucht ten opzichte van de rustsituatie, terwijl in de binnenbox het aantal deeltjes, afhankelijk van hun grootte, 12,6-16,8 keer zo groot werd. In de rest van de schuur werd daarbij een 37,5- tot 50-voudige hoeveelheid partikeltjes gemeten. De deeltjes in de buitenbox waren vooridlijk plantaardig, terwijl het stof bínnen grote hoeveelheden inhaleerbare schimmelsporen bevatte. [Noot: Als strooisel werd in dit onderzoek houtschaafsel gebruikt.] Handboeken (Houghton Brown en Powell-Smith 1994; Smith 1967; Pirkelmann, Schäfer en Schulz 1976) lijken dus niet geheel ten onrechte aan te geven dat ventilatie van paardenstallen zeer wenselijk is. Helaas is ventilatie tegen virussen en bacteriën in de stallucht echter niet zo effectief (Clarke 1987).
Stallucht kan ververst worden op natuurlijke of mechanische wijze. Bij mechanische ventilatie wordt lucht mechanisch de stal ingezogen of -geblazen. Voor natuurlijke ventilatie (afb. 1.3) van gesloten stallen kan gebruik gemaakt worden van de wind; aan weerszijden van de stal worden ramen of ventilatiekleppen tegenover elkaar open gezet, waardoor lucht door de overdruk aan de loefzijde de stal in gaat, en door de onderdruk aan de lijzijde weer naar buiten komt (dwarsventilatie). Ook kan thermiek toegepast worden; in dit geval wordt lucht ingelaten via kleppen aan de zijkanten van de stal en dient de nok als luchtuitlaat. Een andere manier van natuurlijk ventileren is die via een open front (Huisvesting en verzorging 1993). Hierbij zijn volgens Maton (1976) geen verdere voorzieningen voor de verluchting nodig. Voordelen van natuurlijke ventilatie zijn de geringe kosten voor aanleg en gebruik. Daar tegenover staat dat het functioneren van een natuurlijk ventilatiesysteem sterk afhankelijk is van de weersomstandigheden (Huisvesting en verzorging 1993).

Afb. 1.3 Luchtbeweging in de stal bij verschillende natuurlijke ventilatiesystemen

Windrichting - Het open front van een open loopstal kan in Nederland het best naar het zuidoosten gericht zijn (Maton 1976; Huisvesting en verzorging 1993), zodat de dieren in de stal zo goed mogelijk beschut zijn tegen wind en regen. Ook kunnen in het open front plastic lamellen opgehangen worden om wind en sneeuw buiten te houden (Piotrowski 1983, 1988).

1.2.2 ...en de paarden

Gebruiksdoel - Voor het houden in een loopstal komen vooral paarden waarmee niet dagelijks gewerkt wordt in aanmerking, bijvoorbeeld enters en twenters en merries met veulens (Pirkelmann, Schäfer en Schulz 1976). Kurtz (1979) en Pirkelmann (1990) beschrijven echter beiden een situatie waarin volwassen rij- en trekdieren uit welzijnsoverwegingen in een loopstal gehouden worden.

Raspaardjes - Pirkelmann, Schäfer en Schulz (1976) achten open loopstallen met id geschikt voor de robuuste paarden- en ponyrassen zoals de IJslander, de Fjord en de Shetlander, die in principe ook het hele jaar door buiten gehouden kunnen worden. Ook voor de meer veredelde ponyrassen, onder andere de Welsh- en de New Forestpony, zou de open loopstal in aanmerking komen. En gezien het feit dat warm- en volbloedpaarden temperaturen van onder het vriespunt gedurende langere tijd prima verdragen (Pirkelmann, Schäfer en Schulz 1976), is er eigenlijk geen reden om aan te nemen dat dit staltype niet ook voor hen zou voldoen. In de in de literatuur beschreven loopstallen waren groepen Haflingers (Fleege 1990; Piotrowski 1983, 1988), Fjorden (Kolter 1984), warmbloedpaarden (Kolter 1984; Kurtz 1979; Pirkelmann 1990) en een groep van dravers en pony's door elkaar (Kolter 1984) gehuisvest.

1.2.3 Rangorde en sociaal gedrag

Groepsgrootte - De ruime mogelijkheid van sociaal contact is één van de kenmerken die de loopstal onderscheidt van andere huisvestingssystemen. Dit betekent natuurlijk wel dat er meer dan één dier in gehouden dient te worden. In de literatuur (Fleege 1990; Kolter 1984; Kurtz 1979; Piotrowski 1983, 1988; Pirkelmann 1990) variëren de groepsgroottes van twee tot ongeveer twintig dieren; een maximum wordt niet aangegeven.

Rangorde - Waring (1983) legt uit dat zich binnen een groep paarden door middel van duwen, stoten, dreigen, bijten en slaan een rangorde van dominantie/submissie instelt. Factoren als temperament, ervaring, geslacht en uithoudingsvermogen spelen hierbij een rol. Ook lichaamsgrootte en leeftijd tellen mee: de eerste met id hoog in de rangorde, de tweede vooral in de onderste regionen. De sociale hiërarchie blijft over langere perioden nagenoeg ongewijzigd bestaan (Houpt en Wolski 1980). Als zich eenmaal een rangorde heeft ingesteld, is er weinig agressie meer; het wordt vermeden doordat het ondergeschikte dier uitwijkt voor het dominante, of doordat het zijn onderdanigheid toont (Waring 1983). Paarden wenden sowieso de minst mogelijke hoeveelheid agressie aan die de situatie vereist. De rangorde komt tot uiting bij activiteiten zoals voeropid, drinken, en rusten (Waring 1983). Pirkelmann, Schäfer en Schulz (1976) verwachten de minste wrijving binnen een groep paarden van een overeenkomstig type.

Vriendschap - Een ander aspect aan het sociale gedrag van het paard zijn de vriendschappen die gesloten worden tussen twee dieren binnen een groep (Waring 1983). Deze kunnen in de veulentijd ontstaan en langere tijd stand houden, maar ook twee volwassen dieren van gelijke leeftijd of rang trekken vaak naar elkaar toe. De koppels eten en rusten samen, en verzorgen met de tanden elkaars huid. Deze wederzijdse vachtverzorging wordt ook gezien tussen een merrie en haar veulen (afb. 1.4).

Afb. 1.4 Wederzijdse vachtverzorging tussen een merrie en haar veulen

Spel - Spelen doen paarden alleen of met elkaar. De dieren rennen, maken bokkensprongen, zitten elkaar al bijten, trekkend en duwend achterna en proberen allerlei voorwerpen te manipuleren (Waring 1983). Spelgedrag begint al op zeer jonge leeftijd; aanvankelijk richt het veulen dit op zijn moeder, maar naarmate het ouder wordt gaat het meer en meer met leeftijdsgenootjes spelen. De mogelijkheid tot sociaal contact, spelen en verkennen van de omgeving komt de sociale, fysiologische en gedragsontwikkeling van het jonge paard ten goede (Waring 1983).

Groepen maken - Als uit een paardenbestand een aantal groepen moet worden geformeerd, kan hierbij rekening gehouden worden met de samenstelling van de groepen die de paarden zelf vormen als ze met z’n allen in de weide lopen (Kurtz 1979). Bij het toevoegen van een nieuw dier aan een bestaande groep zouden rangordeproblemen kunnen ontstaan. Volgens Kurtz (1979) echter gebeurt er meestal niets bijzonders: de nieuwkomer wordt besnuffeld, besnuffelt op zijn beurt de andere paarden en gaat moeiteloos in de groep op. Als het nieuwe paard bij het zien van de groep zeer onrustig en angstig reageert, adviseert hij het dier in een box naast een zeer rustig paard te zetten, deze twee de volgende dag samen in een uitloop te brengen en de dag daarna aan de groep toe te voegen. Van der Spek en Knaap (1995) formeren groepen door uit een koppel merries met veulens steeds 8 veulens gelijktijdig acuut te spenen. Na een verblijf van maximaal 10 dagen in een gesloten stal worden deze dieren met elkaar in een open loopstal gebracht. Groepsvorming blijkt dan geen probleem, waarschijnlijk omdat de veulens zich in dezelfde omstandigheid bevinden. Ze zoeken steun bij elkaar; de groep vervangt de merrie. Bovendien voeden de dieren elkaar als het ware op, wat de verzorger werk bespaart. De auteurs voorzien echter wel serieuze problemen bij verstoring van de rangorde en voegen achteraf dus geen dieren meer toe aan een groep.

« vorige | volgende »